Boeken.

Op deze pagina staan een paar verhalen uit het boekje dat ik geschreven hebt.
 
uit het boek "Jeugdherinnering"



Pensioen.
Het leven van iemand die met pensioen is valt niet mee, het is triest om te constateren dat je na vijfenveertig jaar hard werken, ook thuis aan de slag moet.
De arbeidstijden zijn wat korter geworden en de wekkergeluiden zijn niet meer in de ochtenduren te horen maar je dagtaak is duidelijker omschreven dan toen je nog aan het normale arbeidsproces mee deed.
 Waar je aan gewend was, om elke ochtend rustig op je gemak door het huis te schuiven en de toiletdeur open te laten staan, zit je ineens opgescheept met iemand in de kamer en ben je verplicht om een sociaal praatje te maken en mis je in het begin de stille rust en welbehagen van de vroege ochtenduren.
Stofzuigen en de bedden opmaken behoren nu tot het dagelijks werk en de strijd om de plaats waar de prulletjes moeten komen te staan, is dan begonnen.
Zelfs koken gaat tot de normaalste bezigheden behoren en er is dan ook niets en ook niets meer dat aan het werkverleden terug doet denken.
Uit schuldgevoel ben je begonnen enkele huishoudelijke taken over te nemen, omdat je vrouw zuchtend en steunend haar dagelijkse bezigheden ten toon spreidt en als je voor de zoveelste maal met de stofzuigerslang op je benen wordt gemept met de mededeling dat “voor haar geen pensioen is weggelegd” moet je wel een grote hufter zijn om op de stoel je krantje verder te blijven lezen.
Terwijl je de vaatwasser leeg haalt, krijg je op je donder omdat je de borden niet in de juiste volgorde in de kast propt en dat je de lepeltjes bij de taartvorkjes in de lade hebt geduveld.
Het opmaken van de bedden was ook al geen goed idee, want bij latere inspectie op de avond blijkt, dat je de vouwen uit de lakens niet vlak hebt getrokken en dat ze op die enorme bulten geen slaap kan vatten.
De eerstvolgende dag heb je al door dat je zo geen jaren  verder kan gaan en stel je voor om een stuk te gaan wandelen of fietsen.
Dit werkt maar goed voor twee dagen, want op de derde ochtend wanneer je net je jas staat aan te trekken om weer samen op stap te gaan moet er ineens afgestoft worden en blijken er metershoge stoflagen onder het bed te liggen.
Er dient opnieuw gewerkt te worden en mijmerend denk je terug aan je zorgeloze gezellige jeugd, waar je in vertroeteld werd door je ouders.
Nog steeds ben ik de tijd niet vergeten, dat ik getroost werd omdat ik mijn voetbal had lek getrapt of wanneer mijn ballon kapot gesprongen was in de drukke mensenmassa.
De tijd dat je lekker onbezorgd een beetje schoolziek in bed kon liggen en er telkens even iemand om de hoek kwam kijken of het wel goed met je ging heeft mij altijd goed gedaan.
Omdat ik in het bezit ben van een prachtige jeugd en ook geprobeerd heb om aan mijn kinderen een leuke jeugd mee te geven, ben ik begonnen om dit boek te schrijven.
Dit schrijven is alleen mogelijk omdat ik ondanks het bovenstaande geklaag, het ontzettend naar mijn zin heb en van plan ben om zeker nog dertig jaar van mijn pensioen te genieten.  


Paard en wagen

Als jongetje van een jaar of acht had ik voor mijn opa, die in het bezit van een handkar was waarmee hij vanaf de veiling aan de Marktweg zijn groente en fruit vervoerde naar  zijn groentewinkeltje aan de Bonistraat, tijdens huisvlijt met de figuurzaag een paard van triplex uitgezaagd en in een grijze kleur geschilderd, een bruin paard was mooier geweest, maar die kleur was niet aanwezig in huis en geld om een pot bruine verf te kopen werd in die tijd als een zonde beschouwd.
Als trotse kleinzoon van een opa die altijd vriendelijk was en voor kattenkwaad zijn hand niet omdraaide heb ik hem mijn paard gegeven en deze werd onder groot vertoon door mijn opa achter op de handwagen vast gespijkerd en vanaf die dag had mijn opa een “paard en wagen”.
Iedereen op de veiling wist nadien dat zij de groente en fruit die mijn opa bij hen ingekocht had, moesten afleveren bij zijn “paard en wagen” die altijd gestald stond bij een hok dat diende als cafetaria van de markt en waar een ieder en in het bijzonder mijn opa, zijn koffie slurpte vanaf het schoteltje.
Mijn opa maakte altijd een heel vertoon van deze ceremonie en stond daar dan met een touw, als riem om zijn broek, een zwart vest vol sigarenas en een stropdas die vet was van allerlei geklieder, met een ieder te praten en gekheid te maken.
Op de veiling was mijn opa, die daar ome Willem genoemd werd, een bekende en gewaardeerde verschijning en de enkele keren dat ik mee ben geweest als kleine jongen was altijd een belevenis die zijn weerga niet kende.
Hij was echter ook een vooruitstrevend man en verzamelde de omwikkelingen van de sinaasappelen, elke navelsinaasappel was apart verpakt en gebruikte ze als papieren zakdoekjes.
Maar echter na een paar jaar sloeg het noodlot toe: het paard en de wagen werden gestolen.

Zoals het toen in die tijd normaal was ging mijn opa vol vertrouwen naar het politiebureau in de van der Vennestraat om aangifte te doen van zijn gestolen paard en wagen.
Alles werd genoteerd en volgens mijn opa was de hele politiemacht van zowel Den Haag als Scheveningen alléén bezig met het opsporen van zijn wagen en mijn paard.
Want de agenten vonden dat een gestolen handwagen nog enigszins toelaatbaar was om een gezonde nachtrust te hebben, maar een paard, ja dat was toch wel wat anders en ze zouden gelijk langs alle slagerijen van Den Haag en Scheveningen gaan om te kijken of er geen illegale slachting was geweest.
Enkele dagen later werd de handwagen van mijn opa terug gevonden en een nogal beduusde agent kwam hem vertellen dat de handkar terecht was, maar er geen spoor te bekennen viel van het paard en of hij zijn kar op wilde komen halen.
De gang naar het politiebureau was voor hem een kwelling, die oude handkar kon hem eigenlijk niet zoveel schelen, maar mijn ontvreemde figuurzaagwerk, stemde hem ontzettend droevig.
Doch echter blij verrast was hij bij het zien van zijn oude handkar, die achterop de klep het grijze paard in zijn volle glorie ten toon spreidde.
Met een enkele dank naar de agenten en verward schuddend met zijn hoofd, hoe deze ambtenaren zoiets als een paard over het hoofd konden zien, liep hij zichtbaar uitgelaten van vreugde met zijn kar de van der Vennestraat uit. Hij stak het stukje Hobbemaplein over en zette zijn paard en wagen in de Hobbemastraat aan de overkant langs de stoep, zodat hij voor de avond vanuit zijn raam op de eerste etage het volle zicht had op zijn “paard en wagen”.
Jaren later toen ik mijn rijbewijs had en mijn opa geen groentewinkeltje meer bezat, ben ik op zijn verzoek nogmaals vroeg in de ochtend met hem naar de veiling geweest.
Hij werd daar door iedereen ontvangen en begroet met een warmte die ik daarna nooit meer ergens tegen ben gekomen, we hebben daar staand en slurpend koffie gedronken, zoals het daar hoorde op die hoek. 
We zijn alle paden langs gereden waar de groothandelaren hun groenten en fruit verkochten, overal kregen we appels, peren en bananen aangeboden het was een ware triomftocht van de oudste groenteboer van Den Haag.
Nadat ik hem weer thuis had gebracht en naar mijn werk was gereden, ben ik nog zeker een half uur bezig geweest om al het fruit uit de oude Volkwagen te halen en te verdelen onder mijn collega’s.
We zijn daarna nooit meer samen naar de veiling geweest, maar het was een avontuur dat de band tussen ons nog meer versterkte.


Recept

Het is toch schokkend om na vijftig jaar in de krant te lezen, dat je door je ouders mishandeld bent.
Ik niet alleen, ik durf gerust te stellen dat duizenden, zo niet tienduizenden kinderen door hun ouders werden gekweld.
We wisten het, we hebben er toen elke dag met zijn allen tegen geprotesteerd, maar het hielp ons niet.
We moesten het innemen, één lepel, elke dag, maar het was een hel.
LEVERTRAAN, ik krijg nog koude rillingen als ik er aan denk.
Walvisvaarders waagden hun leven ervoor, walvissen werden er voor uitgeroeid, kinderen lustten het niet, maar in elk huis in Nederland stond die verschrikkelijke fles levertraan.
Het was volgens mij een substantie die een kruising was tussen slaolie, waar duizend oliebollen in gebakken waren en motorolie.
De stank was verschrikkelijk en de smaak afschuwelijk.
Voor het innemen van levertraan hadden ouders een gemene, doch doeltreffende methode ontwikkeld.
Je neus werd dicht gehouden en als je uit levensbehoud je mond open deed, goten zij snel de smurrie in je keelgat.
Je eerste reactie was om alles uit te kotsen, maar bij de wetenschap dat je dan nog zo’n portie moest innemen probeerde je het binnen te houden.
Zo heb ik liters van dat spul naar binnen gekregen en avonden staan kokhalzen en nu lees ik in de krant, “levertraan heeft niet geholpen, er ging geen enkele geneeskundige waarde van uit”
Wij wisten het al, vijftig jaar geleden.



Vliegtuigen.
    
Op een sobere vakantiedag, we waren ons aan het vervelen en liepen doelloos door de buurt te slenteren, kwam een van mijn vriendjes op het idee om op onderzoek uit te gaan en ons avontuur te zoeken, bij of op het vliegveld Valkenburg bij Leiden.
We moesten er wel wat voor over hebben, want het vliegveld was niet naast de deur en na een kort beraad en commentaar van sommige die niet erg getraind waren, werd er besloten om uit te wijken naar vliegveld Ypenburg, daar dit een stuk dichterbij gelegen was.
We gingen op stap en reden via de Hooftskade naar het Groene Wegje.
Bij de Spinozastraat begon een aantal van ons al achterom te kijken en sommige van hen riepen, “Hans, ga jij maar voor rijden”.
Door een of andere duistere oorzaak gebeurde er met de fiets van Hans, in het volgende gedeelte van de straat, altijd iets vreemds.
De ene keer liep zijn ketting er af, de andere keer zat hij met zijn broek vast tussen ketting en tandwiel en van een spontaan leeglopende band zouden we ook niet vreemd opgekeken hebben.
De dames die hier woonde, waren van het soort, die aan heren oneerbare voorstellen deden, althans volgens onze ouders.
Zij waren gekleed in iets te kleine jurken, waar aan de bovenzijde het blanke vlees wellustig probeerde naar buiten te springen en aan de onderzijde hun benen toonde op een manier, die een jaar of dertig later mode zou worden.
Ook deze maal had Hans weer eens een probleem, zijn bagagedrager rammelde en hoewel we allemaal aandachtig naar het geluid op zoek gingen, konden wij geen vreemd of verdacht geluid opmerken.
De aandacht voor de fiets werd verminderd omdat Hans ineens afstapte op de hoek van de Abraham Amptstraat en ons vroeg “of hier ook een waterbaas in de buurt zat”. Omdat wij hem niet begrijpend aan keken en ons toch niet helemaal gelukkig voelden, op het punt waar we gestopt waren, ontstond er een beetje gemor en met een “hier wassen ze de jurken warmer dan met het water uit de Ruijsdaelstraat” sprong hij op zijn fiets, gleed van de pendalen af en kwam met zijn klok en hamerspel op het frame van zijn fiets terecht.
Zijn gezicht liep een tikkeltje blauw aan en hij stond voorover geleund over zijn fiets heen gebogen.
De lieve juffrouw die daar woonde, kwam naar buiten gesneld, haar strik achter op haar hoofd iets recht trekkend en vroeg aan Hansje of hij erge pijn had, anders kon hij binnen wel even bijkomen bij een glaasje limonade.
Hans heeft op dat moment een antwoord gegeven, wat niemand van ons verstaan heeft, sloeg zijn ene been voorzichtig over de stang van de fiets en trapte in een kalm tempo weg.
We hebben, beleefd zoals we waren, de juffrouw bedankt en eenmaal over de hoogte van de Wagenbrug gereden, kregen we weer het grootste woord, Hans heeft er een langere tijd voor nodig gehad.
Via het Zieken en de Rijswijkseweg, was onze eerste stop, de Hoornbrug die open stond om enkele lege zandschepen door te laten.
Diverse trams stonden te wachten en we hadden een goede kijk op de speedwaybaan, die rechts van de brug gelegen was.
In het weekeinde kon je ze vanaf de brug zien scheuren op de sintelbaan en ook het motorgeronk kon je niet ontgaan.
Links van de weg naar Rotterdam was het vliegveld, het besloeg een grote oppervlakte en bestond voornamelijk uit grasland dat omgeven was door een hekwerk van gaas.
Je kon aan de buitenzijde kilometers langs het hek wandelen en haast overal had je een goed uitzicht op de vliegtuigen.
De meeste waren tweedekkers, zij hadden twee vleugels boven elkaar, maar ook de driedekker was geen zeldzame verschijning en was in het luchtruim feitelijk het mooiste vliegtuig.
Het waren open vliegtuigjes en de piloten droegen leren jassen en een vliegcap tegen de kou en zij beschermden hun ogen tegen stof en tranen met een stofbril.
In verhouding met de vluchten van nu, vlogen ze erg laag en langzaam en bij het landen was het af en toe net of ze het hekwerk zouden raken.
Er stond wel een verkeerstoren op het vliegveld, maar volgens mij was hij zeker niet hoger dan een meter of vier.
Ons spel kon nu beginnen en wij begonnen onafhankelijk van elkaar de kentekens van de vliegtuigen te noteren, om ze later in de middag met elkaar te vergelijken en te kijken of één van ons, soms een vliegtuig gemist had.     
Dit spel had geen enkel ander doel dan tijdpassering en om je zelf een beetje piloot te wanen in één van die moderne vliegtuigen, de ééndekker.
Soms, heel soms, mocht je na lang zeuren bij de ingang met een vliegenier mee op het vliegveld kijken, maar het is mij nooit gelukt om in de coppit plaats te mogen nemen.
De route naar huis was korter dan heen, omdat we via de Rijswijkseweg over de Goeverneurslaan en via de Callandbrug naar de Vaillantlaan gingen en daar de van der Vennestraat in doken.


Het treintje.  

Uren heb ik lopen zeuren bij mijn moeder.
Uren, je kan bijna zeggen dagen, om te vragen of ze ook een pak van het waspoeder wilde gaan kopen, het was nu in de reclame.
Dagen heb ik er bij gestaan en enkele vriendjes van mij uit de straat waren al een keer mee geweest en hij was prachtig om te zien.
Het Omo treintje stond op het Hobbemaplein, met felle opvallende kleuren en een hoog gefluit, wachten hij op de kinderen die in het bezit waren van de bovenkant van het pak, waarin de waspoeder verpakt was.
Met de omgebouwde jeep met een paar aanhangwagentjes in zijn kielzog kon je een rondje maken over de van der Vennestraat, Vaillantlaan en door de Hobbemastraat weer terug.
Niet voor niets was er voor een lange route gekozen en deze bestreek dan ook in één klap een groot gedeelte van de Schilderswijk.
Alle kinderen uit de zijstraten werden geattendeerd door het hel gefluit van de locomotief en waren, jaloers geworden op de verheugde blikken van de gelukkigen die een plaatsje in de trein hadden weten te bemachtigen.
Mijn moeder weigerde te zwichten voor de druk van de commercie en mij en vond het niet nodig om een pak waspoeder te gaan kopen.
Ik werd op weg gestuurd om bij de melkboer een paar lege flessen in te leveren, om dan met twee eieren terug te komen, zodat we bij het avondeten iets extra’s hadden.
Ondanks het blijvend constant zeuren zag ik na een tijdje in, dat het geen enkel effect zou hebben en had ik mij er bij neergelegd, dat ik, nooit een ritje met de trein zou maken.
Doch, na enkele dagen kwam het geluk om de hoek kijken, de verkoop van het waspoeder viel tegen en het treintje stond voor een groot gedeelte van de dag, vanuit het Hobbemaplein, mij door het woonkamerraam stil aan te kijken.
Dit geheel tegen de zin van de reclamemensen van Omo en dus werd het treintje volgepropt met kinderen die bereid waren een uurtje van hun vrije tijd op te offeren om andere kinderen jaloers te maken.
Er werden extra rondjes gereden en wij gingen zelfs van de route af, de zijstraten in.
Het was een ongelooflijke onvergetelijke dag en ik krijg nu nog een glimlach op mijn gezicht, als ik terug denkt, hoe gelukkig ik mij die dag voelde.